Pieterpad (21)

Woensdag 21 april 2021
Van Swolgen naar Venlo (21 km)

Gisteren zijn we weer afgereisd naar het zuiden. Het voelt een beetje als vakantie want we gaan deze keer wel tien dagen op pad. Hierin hopen we de laatste zes etappes van het Pieterpad te kunnen doen. We strijken, iets boven Venlo, neer op Camping de Weerd. Het is hier helemaal Corona-proof want we zijn weer de enigen op deze nieuwe camping.
Het vertrek is wel een beetje een gok want Mevr. van der Veeke heeft gisteren haar eerste Corona-prik gehad en de vraag is even hoe haar lichaam dit op gaat vatten. Ondanks dat ze niet topfit is, loopt ze de etappe gewoon uit. De etappe is een mix van natuur en cultuur en het mooie weer maakt er gewoon een prachtige Pieterpad dag van.

We lopen de etappe niet op volgorde. Vanaf de camping lopen eerst de laatste zeven kilometer van het traject naar Venlo. Daar pakken we de bus naar Swolgen en van daar lopen we weer naar de camping.

We lopen het eerste stuk door Océ-weerd, oftewel de Maas-corridor. Dit zijn eigenlijk de uiterwaarden van de Maas. Voorheen waren dit landbouwgronden maar ze laten het weer verruigen naar een natuurgebied. Ze worden begraasd door Galloway  koeien die flink hun best doen. We moeten meanderen tussen de vlaaien door. De naam Océ verwijst naar de Venlose  producent van kopieerapparaten dat een deel van hun grond hiervoor afstond. Apotheker Lodewijk van der Grinten is in de negentiende eeuw begonnen met het produceren van een kleurstof om  margarine meer op boter te laten lijken (boterkleursel) maar maakte ook andere kleurstoffen. Begin twintigste eeuw komen zijn nazaten eerst met blauwdrukpapier en later met een kopieersysteem dat Océ (Ohne Componente) genoemd wordt. Het bedrijf is zeer succesvol tot de economische crisis komt. De enige redding was om het te verkopen aan Canon.

We verlaten de Maasoever even om langs de kapel van Genooi te gaan. Deze staat er al sinds de vijftiende eeuw maar is gedurende eeuwen wel aangepast en uitgebreid. Hij wordt vooral bezocht door ‘troostzoekende’ Venlonaren.  Troost waarvoor is me niet geheel duidelijk. Blijkbaar schaven ze vaak hun knie of stoten ze de elleboog. In elk geval wordt er vandaag geen troost gezocht want we zijn er alleen en wij troosten meestal elkaar.

Wij lopen terug naar de Maas en zien Venlo in de verte liggen. Even later lopen we de stad in. We zien maar een klein stukje van Venlo, maar dat is al interessant genoeg. Venlo is er al eeuwen. De Limburgers willen graag geloven dat de stad gesticht is door de fictieve Germaanse hoofdman Valuas maar waarschijnlijk hebben de Romeinen hier al veel eerder een stad gehad. In de middeleeuwen was het een belangrijke overslag- en stapelstad. Het karakter van de Maas verandert hier waardoor je andere schepen nodig hebt voor het goederenvervoer. Vandaar het stapelen en de overslag van goederen. Het is ook altijd een vestingstad geweest. In de oorlog heeft het flink te lijden gehad maar er staan nog genoeg mooie gebouwen. Ik verbaas me over de reclame, bordjes en opschriften die allemaal in het Duits zijn. We kijken even bij het stadhuis en zoeken een prachtige muurschildering op.

Maar het meest geniet ik van het straatje naast het klooster dat de Floddergats heet. Daarin staat honderd meter hekwerk dat één groot kunstwerk is. Op de punten heeft Ger Jansen in brons een groot aantal carnavaleske figuren gemaakt. Ze zijn stuk voor stuk prachtig om te zien. Bij het station pakken we de bus naar Swolgen en we stappen uit waar we vorige keer instapten.

Vorige keer hadden we wat haast om de bus te halen maar nu kunnen we in alle rust constateren dat Swolgen eigenlijk verder niets te bieden heeft. We kunnen alle bezienswaardigheden in één keer bekijken want er is er maar een. Het is het graf van de bekende schrijver en dichter Bertus Aafjes. Op Wikipedia zie ik dat hij erg productief is geweest. We staan er niet te lang bij stil want het wemelt van de vliegen op het kerkhof. Waarschijnlijk is er wat dood gegaan hier.

We verlaten Swolgen en duiken de bossen in. Eerst zijn het nog gewoon zandpaden. Bij Schuitwater worden het broekbossen waar we hele stukken over planken lopen. Schuitwater is een overblijfsel van de Maas die hier tot de laatste ijstijd liep. Daarna veranderde de loop en liepen deze geulen vol met planten. Dit werd turf en dat werd in de achttiende eeuw uitgegraven. Het is een mooi water- en bosrijk gebied. Het zonlicht filtert door de bladeren en de vogeltjes fluiten in de bomen. Een plekje om zen te worden.

Het is mooi als je soms verbaasd wordt door de goedheid van de mensen. Dat herstelt het geloof in de medemens een beetje. De meeste mensen deugen namelijk best wel. Omdat de bus net ging toen we op het station kwamen en Swolgen een gat is zonder horeca hebben we nog geen koffie gehad. Ik had er ook niet meer op gerekend. En hier komen we, langs het Pieterpad, een engel tegen die gewoon kannen koffie en thee voor de wandelaars neerzet.  Een hoogtepunt van de dag.

Goed geluimd gaan we verder. We kijken nog even bij buurtkapel Houthuizen. Meestal hebben de Limburgers geen reden nodig om een kapel op te richten maar hier hadden ze er wel een. Het buurtschap was blij om redelijk ongeschonden uit de oorlog te komen.

Kaldenbroek is een kasteelhoeve uit de vijftiende eeuw. Van afstand ziet het er mooi uit. Van dichtbij blijkt het een grote bouwput te zijn. We kunnen het terrein niet op om een betere foto te maken.
Het kasteel was er al in de dertiende eeuw. In de zeventiende eeuw kwam het in bezit van de familie van Wijlich, die ook heren van Lottum (naastliggende dorp) waren. De laatste adellijke bewoner was Alex de la Marck die zo losbandig leefde dat hij bij zijn dood alleen schulden naliet. Het is daarna opgeknapt als bouwhoeve. In 1971 kocht een projectontwikkelaar het om er een recreatieoord van te maken. Dat ging ook niet door en nu zitten er twee vakantiewoningen in.

We naderen Grubbenvorst. Nu bekend van de asperges maar eerder bekend van het enorme klooster van de zuster Ursulinen. Dat waren een stel fijne vrouwen. Ze hadden de Sint-Annakapel bij het klooster waar arme mensen een pannetje eten konden krijgen. Dat werd natuurlijk meteen soldaat gemaakt en daarna deden ze een dutje. Volgens de zusters was dat natuurlijk niet de bedoeling. Geen pannetjes eten meer en laten we de kapel ook maar afbreken. Gelukkig kwam ze later tot inkeer en werd er een nieuwe kapel gebouwd. Het klooster staat er nog steeds maar is nu onderdeel van een bejaardentehuis.

Verder is Grubbenvorst het episch centrum van de asperge. De afgelopen etappes hebben we al enorme velden zien liggen en we zagen aspergestekers aan het werk. In 1940 werd hier de eerste asperge gestoken en sindsdien kunnen ze er geen genoeg van krijgen. Voor het klooster staan zelfs een aantal aspergevormige beelden ter ere van dit witte goud. De asperge is een meerjarige plant, die 8 tot 10 jaar achtereen op hetzelfde veld wordt geteeld. De bovengrondse plant, met houtige stengels en zijtakken, sterft af in de herfst, maar de ondergrondse delen overwinteren, en vormen in de lente nieuwe stengels. Ze worden, als ze nog onder de grond zijn, gestoken en als groente verkocht. Dit zijn de witte asperges. Komen ze boven de grond dan worden ze vaak groen en verkocht als groene asperges.

Bij Grubbenvorst steken we met het pontje de Maas over. Aan de andere kant komen we in Velden, een van de voorsteden van Venlo. En de plek waar onze bus staat. We hebben er weer een interessante etappe met veel mooi weer op zitten.

3 thoughts on “Pieterpad (21)

  1. Monique Holtjer says:

    Wat fijn dat niet alles verandert, ik herken nog veel van zeker 15 jaar geleden toen ik het Pieterpad liep! Veel plezier verder!

Leuk als je reageert