Maandag 21 juli
Etappe 5 : Millau - Ispagnac

Ik ben nu werkelijk te moe om me bezig te houden met de overwegingen van leven en dood.
(uit Tim Krabbé, de Renner,  kilometer 126-130, p. 116)


We hebben vandaag een lange etappe, 72 kilometer volgens de beschrijving, dus we besluiten om vroeg op pad te gaan. Bijna als eerst gaan we van de camping af, maar het duurt niet lang of we worden alweer ingehaald. Ik moet tenslotte af en toe van de fiets af om een foto te maken en dat kost altijd relatief veel tijd.
We gaan eerst Millau uit. Eigenlijk kun je niet van uit spreken als je er nooit in geweest ben, maar we gaan via de randen van de stad weer terug richting de Cevennen.
Als we Millau uit zijn, fietsen we langs de Tarn verder. Eerst vlak langs de rivier, laten winnen we wat hoogte en ligt het water in de diepte. Verderop zien we ook nog de snelweg liggen. En aan de overkant op de bergen schilderachtige dorpjes en restanten van oude kastelen . Het moet hier vroeger een wilde bende zijn geweest.

Bijna ongemerkt komen we weer in Le Rozier terecht. Op hetzelfde terras als eergisteren wordt weer driftig koffie gedronken. Het is een goede gewoonte geworden om bij de bakker op de hoek een taartje te halen voor bij de koffie. Lisa doet dat ook maar waarom ze een drol in een cakeje uitkiest is me een raadsel. Het zit hier zo lekker, dat we maar opteren voor een tweede en een derde bakje. Steven heeft zijn groupies in het gelid en vertrekt voor ons. Het stuk wat volgt kennen we ook al van een paar dagen geleden. Het is gelukkig nog net zo mooi.

Iets voor Les Vignes staat Nicolette. ‘Het is prachtig in deze George’ kraait ze uit. Het is hier inderdaad ook mooi. We genieten van de pizza die over was en wie zitten hier ook nog?
Yvonne haakt hier bij ons aan want Jan wil wat extra klimwerk doen en pakt de helling die we op de 18e ook hebben gedaan. Hij gaat iets vlotter omhoog dan wij…
We gaan verder door de kloof van de Tarn . Het beeld wordt steeds ruiger. In het begin was hij toch wat lieflijker terwijl het nu woestere rotspartijen worden. Gelukkig kronkelt de weg zich langs de rotswanden Aan de overkant, op ogenschijnlijk onbereikbare plaatsen liggen een paar huizen . Een dorp kun je nauwelijks noemen. Er gaat dan een handbediende lift naar de overkant. Idyllisch maar wel eenzaam lijkt me.

In St. Enimie komen we Jan weer tegen . Dit is een prachtig middeleeuws dorpje wat ze goed hebben weten te conserveren. Helaas weten veel ander mensen dit ook en is het vrij druk hier.
Het dorpje is vernoemd naar Enimie, de dochter van de koning van de Franken, die uitgehuwelijkt was. Dit wilde ze niet want ze was al getrouwd met God, dus zij vroeg hem om raad. God hielp Enimie door haar lepra te geven. Sommigen zouden dit van de regen in de drup noemen, maar zij was er tevreden mee. Goed. Weg huwelijk en weg potentiële andere kandidaten.
Haar ouders hadden hier veel verdriet van en ze vraagt God weer om hulp. Die stuurt haar op een reis naar een bron waar ze beter van wordt. Maar de ziekte komt terug en het blijkt dat ze regelmatig in de bron moet blijven dippen om beter te worden. Een beetje in de buurt blijven dus. Ze doet wat wonderen en eindigt als een kluizenaar een in grot. Daarna is het een tijdje stil maar om haar te gedenken heeft dit dorp haar naam gekregen.

Het is een mooi plekje. Smalle straatjes , oude huisjes en steegjes wisselen elkaar af. Omdat het dorpje tegen een berg aan gebouwd is, is het af en toe flink klimmen . De vrouwen gaan shoppen, Jan en ik nemen een biertje in de zon en we wachten op de rendez-vous met Lisa.
Het laatste stukje moeten we eerst weer een stukje klimmen en fietsen we hoog langs het water . Daarbij komen we langs Castelbouc.
Deze plaats, gebouwd op en in een rotspunt, dankt zijn bekendheid aan een opmerkelijke legende die zich afspeelt ten tijde van de kruistochten. Raymond de Castelbouc bleef als kasteelheer alleen achter terwijl alle mannen van het dorp vertrokken om oorlog te gaan voeren. Hij maakte er zoveel werk van om de alleenzijnde vrouwen te 'troosten' dat hij spoedig bezweek aan vermoeidheid. Sindsdien kan men bij nacht boven de ruïnes van het feodale kasteel een gevleugelde viriele bok zien zweven.

Na 75 kilometer en 572 hoogtemeters komen we aan op camping Municipal le Pré Morjal. Stonden we op de vorige campings krap, het kan nog erger .

Gelukkig had Steven voorzien dat wij laat waren en heeft hij onze tent vast neergezet. Even dreigt er een dispuut te ontstaan over een waslijn, maar dat wordt snel geblust met een biertje.
De pot schaft die avond een vissoepje, ratatouille met rijst en als toetje bananen met chocoladevla en kokos. Na het eten lopen we nog een rondje en even bij Ispagnac binnen Het is een leuk ouderwets dorpje waar het ’s avonds druk is en op het kerkplein driftig jeu des boules wordt gespeeld. Morgen volgen wat foto’s. Ik moet bij Ispagnac steeds denken aan het gedicht van 'van Eyck'. Ik heb het even opgezocht en met deze woorden sluit ik de dag. Amen.

 

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!"

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."


 

Vorige dag

hoofdpagina

Volgende dag